St. Augustinus tot de kunstenaars

Sint Augustinus (354-430) , Belijdenissen, Elfde boek, hoofdstuk V:

Hoe echter hebt Gij hemel en aarde gemaakt en wat was het werktuig van U zo grootse verrichting? Beslist niet als een kunstenaar,die iets stoffelijks formeert uit iets stoffelijks volgens de opvatting van zijn ziel, die in staat is het een vorm hoe dan ook op te leggen, die zij ziet in zichzelf met haar inwendig oog — en vanwaar zou zij daartoe in staat zijn, indien Gij haar niet gemaakt hadt? — zij legt een vorm op aan iets dat reeds bestaat en in het bezit is van het Zijn, zoals aarde, steen, hout of goud of iets dergelijks. En vanwaar zouden deze dingen zijn, indien Gij ze niet hadt geschapen? Gij hebt voor de kunstenaar gemaakt zijn lichaam Gij zijn geest,heersend over de ledematen, Gij de stof, waaruit hij iets maakt, Gij het talent om daarmee een kunstwerk te ontwerpen en inwendig te zien,wat hij uitwendig wil maken, Gij de zintuigen, door welke bemiddeling hij van zijn geest overbrengt naar de stof dat, wat hij maakt en aan zijn geest bericht, wat gemaakt is, opdat deze inwendig de waarheid,die hem leidt, raadplege, of het goed gemaakt is.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.